Willy Maas-Amukwaman, nabestaande

Ons Rita was al een jaar of wat ziek. Uiteindelijk ging ze naar de huisarts, ziekenhuis en longarts. Ze bleek een tumor in de longen te hebben en opereren was niet mogelijk. Het enige dat overbleef was palliatieve behandeling.
We zijn met ons achten thuis, vier broers en vier zussen. We maken deel uit van de Molukse gemeenschap in Nistelrode en dat is een hechte groep. Als iemand ziek is, wordt de hele familie opgetrommeld en staat iedereen voor je klaar. Zeker voor iemand die geen partner heeft zoals onze zus Rita.

Ze wilde thuis blijven en dat gingen we regelen

Onze jongste broer maakte een schema, een rooster voor dag en nacht en daar schreven we op in, zeven dagen in de week, 24 uur rond. De eerste nacht bleef ik op een stretcher in de woonkamer slapen. Rita wilde niet naar boven en geen bed in de woonkamer. Dag en nacht lag ze op de bank en kon nog maar net naar de wc lopen en terug. Ze had veel medicijnen en kon die niet meer zelf beheren. Willy Maas-AmukwamanDus we maakten ook een schema om te zorgen dat ze op tijd haar pillen kreeg.
We waren wel met 50 familieleden om voor ons Rita te zorgen: wij met ons zevenen en de partners, de meesten waren met pensioen en deden de werkdagen en de nachten. Onze neven en nichten kwamen ’s avonds en in de weekends. We waren altijd met tweeën bij haar. We moesten achterom komen want de buren mochten van haar niet weten hoe ziek ze was.

We hebben het zes weken volgehouden

‘Als het hier niet meer lukt, ga ik wel naar een hospice,‘ zei ze. Dat moment kwam na een week of zes. Vooral de nachtdiensten werden voor ons te zwaar. Vrijwilligers van Oase Thuiswaken namen dat over en waakten van half elf ’s avonds tot zeven uur ’s ochtends. Rita wilde nog steeds niet in bed en dat was ook voor de Thuiszorg lastig want die moesten haar op de bank verzorgen. Maar we hebben al haar wensen gerespecteerd.
In Oss was er bij Oase gelukkig een plekje voor haar. ‘Mooi, hier wil ik wel blijven’, zei ze toen ze de kamer zag. We bleven met onze familie zorg bieden, want bij ons is het gewoon dat je er voor elkaar bent. Er was altijd iemand van ons, meestal waren we met twee. We hielpen met de verzorging en met eten en leerden hoe we de morfinepomp moesten bedienen. Als het nodig was riepen we de hulp in van de vrijwilligers. We werden door hen en de verzorgenden met veel respect en geduld benaderd, voelden ons thuis en iedereen was behulpzaam voor Rita en ons.
Er bleef altijd iemand van ons slapen, daarvoor zetten de vrijwilligers een bed erbij. Als we met tweeën waren, sliep er eentje in de relaxstoel. ’s Avonds bleven de neven en nichten komen. We vroegen ze wel om rustig aan te doen en rekening te houden met de andere bewoners.

Rita genoot ervan dat haar familie om haar heen was.

Toen het einde naderde hebben wij enige afstand genomen want de huisarts zei: ‘Als jullie zo dicht om haar heen blijven wil ze misschien niet gaan.’
Wij namen afscheid. Mijn schoonzus hield Rita’s hand vast en zei: ‘Ga maar naar mama en ons dochtertje – het kindje van mijn broer en schoonzus was vroeg overleden – ze wacht op jou.’
En zo gleed ons Rita rustig weg.
Rita had gevraagd of wij haar na haar overlijden zelf van het bed op de brancard wilden leggen. Dat hebben we gedaan. Zoals ze had gewild hebben we haar in het wit gekleed. Bij de uitvaart waren we ook allemaal in het wit.